De vos, natuurbeheer en de ongemakkelijke waarheid achter zelfregulatie
- 23 jun
- 5 minuten om te lezen

De vos is een prachtig dier, daar moeten we eerlijk in zijn. Wie ooit bij valavond een gezonde vos door het veld zag trekken, begrijpt waarom dit roofdier tot de verbeelding spreekt. Zijn kleuren, zijn sluwheid, zijn aanpassingsvermogen en zijn aanwezigheid in het landschap maken hem tot een bijzondere soort. Ook voor jagers is dat zo.
Toen ik mijn eerste vos schoot, moest ik zelf even twee keer kijken. Wat een prachtig dier. Tijdens de jacht heb ik er al veel gezien: van bijna volledig zwarte exemplaren tot grijze varianten en natuurlijk de algemeen gekende roodbruine vos. Wie beweert dat jagers geen respect hebben voor de vos, begrijpt weinig van weidelijkheid en nog minder van wat er werkelijk op het terrein gebeurt.
Maar respect voor een soort betekent niet dat we blind moeten zijn voor haar impact.
“Vossen zijn territoriale dieren en reguleren zo hun aantal per oppervlakte zelf. Op een bepaalde oppervlakte is maar ruimte voor een beperkt aantal vossen en vossenfamilies. Hierdoor kunnen nooit ‘vossenplagen’ ontstaan“ - Natuurpunt
In de brochure Slimmer dan de vos: kippenren vosvrij schrijft Natuurpunt het volgende:
“Vossen zijn territoriale dieren en reguleren zo hun aantal per oppervlakte zelf. Op een bepaalde oppervlakte is maar ruimte voor een beperkt aantal vossen en vossenfamilies. Hierdoor kunnen nooit ‘vossenplagen’ ontstaan, in tegenstelling tot bij knaagdieren. Enkel wanneer er meer voedsel is, kan het aantal vossen iets hoger liggen. Zoals in jaren met zeer veel muizen of konijnen. Te weinig voedsel leidt tot minder vossen.”
Dat klinkt mooi. Maar het roept vooral vragen op.
Van welk aantal vossen per hectare, per vierkante kilometer of per jachtrevier spreken we dan wanneer er volgens Natuurpunt géén plaag kan ontstaan? En wat bedoelt men precies met “te weinig voedsel”? Moet eerst elk stuk kleinwild verdwijnen? Moeten patrijzen, hazen, fazanten, weidevogels of kippen eerst allemaal ten prooi vallen voordat men wil erkennen dat er lokaal een probleem is?
Zelfregulatie klinkt wetenschappelijk, maar in de praktijk kan het ook een gemakkelijk excuus worden om niet te moeten beheren. Natuurlijk is de vos territoriaal. Natuurlijk is er maar plaats voor een beperkt aantal vossenfamilies. Maar dat betekent niet dat de impact van die vossen beperkt blijft. Eén vossenfamilie met jongen kan in een kwetsbaar kleinwildrevier al een enorme druk uitoefenen. Zeker in een versnipperd landschap waar landbouw, bebouwing, wegen, recreatie en natuurrestanten door elkaar lopen.
De vraag is dus niet alleen hoeveel vossen er zijn. De vraag is vooral hoeveel schade en predatiedruk een gebied nog kan dragen.
Onze economie is helemaal gericht op het monocultuursysteem. Alles moet dienstig gemaakt worden aan de mens en moet renderen. Dit systeem staat lijnrecht tegenover het natuurlijke, dat stabiel is door zijn grote variatie. Wie is dan werkelijk de vijand van de natuur?
In De Jacht in België, uitgegeven door De Standaard in 1984, werd al scherp beschreven wat de werkelijke druk op natuur en wildstand was: “Sinds de Tweede Wereldoorlog verdwijnt jaarlijks ongeveer 15.000 ha oppervlakte door infrastructuurwerken, urbanisering en uitbreiding van de industrie.”
En verder: “Niet de weidelijke jager vormt een bedreiging voor het dierenleven en ons natuurlijk milieu, maar de overheidsinstanties met al hun projecten, de industriële ondernemingen, de ruilverkavelingen, de consumptiemaatschappij.”
Dat werd 40 jaar geleden reeds geschreven en toch moeten jagers vandaag, in 2026, nog altijd uitleggen dat zij niet de vijand van de natuur zijn. Terwijl het landschap verder versnipperd is, de open ruimte verder onder druk staat en veel kleinwildsoorten het moeilijker hebben dan ooit, wordt de jager nog te vaak weggezet als probleem in plaats van als deel van de oplossing.
In datzelfde boek staat ook: “Onze economie is helemaal gericht op het monocultuursysteem. Alles moet dienstig gemaakt worden aan de mens en moet renderen. Dit systeem staat lijnrecht tegenover het natuurlijke, dat stabiel is door zijn grote variatie.”

Ook dat blijft vandaag brandend actueel. Wie is dan werkelijk de vijand van de natuur? De jager die het hele jaar door zorg draagt voor zijn revier, wildakkers aanlegt, predatoren opvolgt, schade vaststelt, zieke dieren meldt en aanwezig is op het terrein? Of de mens die natuur herleidt tot consumptie, comfort, verkaveling en economische opbrengst?
De jager, de landbouwer en de natuurbeheerder zouden natuurlijke bondgenoten moeten zijn. Niet elkaars tegenstanders. Enkel samen kan men streven naar een landschap waarin landbouw, biodiversiteit, wildstand en menselijke aanwezigheid op een evenwichtige manier samengaan.
En in dat evenwicht hoort ook de bejaging en bestrijding van de vos thuis.
Ook De Jacht in België beschrijft de vos niet als een dier dat uitgeroeid moet worden, maar wel als een soort die beheerd moet worden: “De vos jaagt vooral bij valavond en bij nacht, maar in rustige terreinen is hij ook bij dag actief. Hij is een alleseter en een meester in het vangen van muizen die in vele terreinen zijn hoofdvoedsel uitmaken. Ook bessen worden graag gegeten. In wildrijke kleinwildrevieren zal hij overschakelen op allerhande kleinwild maar heel dikwijls treedt hij ook op als regulator van ziekelijke en zwakke exemplaren.”
Dat is een evenwichtige beschrijving. De vos heeft een plaats in de natuur. Hij vangt muizen. Hij ruimt zwakke en zieke dieren op. Hij heeft een ecologische functie. Dat hoeft niemand te ontkennen.
Maar het boek gaat verder...
“Toch moet hij in zulke wildrijke kleinwildrevieren kort gehouden worden, aangezien hij met zijn talrijke kroost in weinige jaren tot een ware plaag kan uitgroeien. Bijzonder als hij jongen heeft, is hij een ongewenste gast, aangezien deze bijna uitsluitend met kleinwild gevoed worden.”
Daar zit precies de kern van het debat. De vos is geen duivel, maar ook geen onaantastbaar symbool. Hij is een roofdier, een opportunist, een alleseter. Een soort die zich bijzonder goed heeft aangepast aan ons moderne landschap. En net daarom is beheer noodzakelijk.
Ten slotte besluit De Jacht in België met een zin die vandaag nog altijd de juiste houding samenvat:
“Toch moeten wij hem de hand boven het ‘schuldige’ hoofd houden
en zorgen dat hij in beperkte mate geduld wordt.”
Dat is exact waar verantwoord faunabeheer over gaat. Niet over haat. Niet over uitroeiing. Niet over schieten om te schieten. Wel over evenwicht. De vos mag er zijn, maar niet onbeperkt en niet overal zonder beheer. Zeker niet in gebieden waar kleinwild, grondbroeders of gehouden dieren onder druk staan.
De vos is prachtig, maar hij is ook een predator. Hij hoort thuis in onze natuur, maar hij hoort niet buiten elk beheer geplaatst te worden. Wie beweert dat er nooit een vossenplaag kan ontstaan omdat vossen territoriaal zijn, verwart aantallen met impact. Een probleemsoort wordt niet alleen bepaald door hoeveel dieren er op papier aanwezig zijn, maar door wat die dieren lokaal veroorzaken.
Daarom is de jager nodig op het terrein. Niet als vijand van de natuur, maar als beheerder. Samen met landbouwers en natuurbeheerders kan hij bijdragen aan een landschap waarin soorten niet alleen beschermd worden vanuit theorie, maar beheerd worden op basis van wat er werkelijk gebeurt.
En daar hoort de bejaging en bestrijding van de vos volledig in thuis.
Maar hoe pak je dat dan concreet aan? Welke middelen zijn toegelaten, en welke niet?
Wat mag wél in bestrijding en wat blijft verboden? Daarover gaat ons volgende artikel:
"Hoe bejagen en bestrijden we de vos in Vlaanderen?"
Met weidelijke groeten,
Jonas Libbrecht
Team O.



Opmerkingen